In de laatste twee decennia is er een nieuwe familie van politieke begrippen opgekomen, zoals cultureel burgerschap, wereldburgerschap en roze burgerschap.
Nieuwe burgerschapsamenstellingen
In eerste instantie is dit een taalkundige verandering. De term burgerschap werd altijd gebruikt voor een status die voor alle burgers gelijk is. Pas recent zijn wetenschappers en beleidsmakers nieuwe samenstellingen gaan gebruiken van burgerschap met een bijvoeglijk naamwoord, zoals cultureel of wetenschappelijk. Deze specifieke vormen van burgerschap hebben niet langer betrekking op alle burgers, of op de hele samenleving, maar op een segment daarvan.
Ik bestudeer de opkomst van zulke nieuwe burgerschapsamenstellingen met behulp van de theorie van conceptuele integratie uit de cognitieve taalkunde. Volgens deze theorie gaat achter deze formele verandering een verandering schuil in de verbeelding van burgerschap, opgevat als mentale simulatie.
De autonomie van politiek
Naast een taalkundige is dit een normatieve verandering. Het tweede deel van mijn project gaat daarom in op de vraag wat de filosofische implicaties zijn van deze verandering in het taalgebruik rond burgerschap. In deze fase spitst mijn onderzoek zich toe op vier van die nieuwe begrippen: levensbeschouwelijk, wetenschappelijk, economisch, en cultureel burgerschap.
Er is een verschuiving gaande in de verhouding van politiek tot andere maatschappelijke domeinen. Is deze verschuiving een probleem, omdat zo elk domein zijn eigenheid verliest – een politisering van de cultuur en een culturalisering van de politiek? Of is zij juist een verrijking die nieuwe kansen biedt voor participatie en emancipatie?